Van Gogh’s kunstzinnige smaak in vogelvlucht

Vincent van Gogh werd geboren in het Brabantse Zundert op 30 maart 1853
Op 27 juli 1890 schoot hij zichzelf in de borst, in de velden bij Auvers-sur-Oise (Fr.). Twee dagen later overleed hij aan zijn verwondingen, in het bijzijn van zijn broer Theo. Hij werd maar 37 jaar oud. Van Gogh liet een oeuvre na van ongeveer 850 schilderijen en 1300 werken op papier. En ruim 800 brieven.

Juist door die correspondentie weten we zoveel van zijn leven, zijn werk, de manier waarop hij dacht, zijn voorkeuren, zijn smaak. Van Gogh koesterde een grote liefde voor kunst en literatuur. In zijn brieven beschreef hij hartstochtelijk en vaak zeer uitvoerig wat hij mooi of lelijk vond aan bepaalde kunstwerken of romans. Van Gogh was een zeer gedreven persoonlijkheid: hij wilde alles in zich opnemen, zich ontwikkelen en zich blijven hervormen. Als kunstenaar was hij op zoek naar een eigen handschrift.

Vincent van Gogh, Aardappeleters, olieverf op doek, 1885

In zijn brieven is de ontwikkeling van zijn smaak te volgen vanaf zijn jeugd, toen hij in de kunsthandel werkte, tot en met zijn tijd in de voorhoede van de Franse avantgarde in Parijs, toen hij bevriend was met Toulouse-Lautrec, Paul Signac en Paul Gauguin. Ook nadat hij in Arles getroffen was door zijn ziekte en de aanvallen bleven terugkeren, bleef hij zijn gedachten op papier zetten over wat hij zag en wat hij las.

In 1869 kreeg hij via familierelaties zijn eerste betrekking bij de Haagse kunsthandel Goupil & Cie. Daar kwam hij voor het eerst in aanraking met eigentijdse beeldende kunst. Tot 1876 werkte hij in verschillende filialen in Den Haag, Parijs en Londen, waar hij verschillende musea bezocht en zijn blikveld verbreedde.
Uiteindelijk werd hij ontslagen uit de kunsthandel en na enkele mislukte betrekkingen koos hij in 1880 voor het kunstenaarschap. Omdat hij nauwelijks kunstonderwijs volgde en zichzelf grotendeels opleidde had hij grote behoefte aan intellectuele en artistieke voeding, en bleef die behoefte zijn hele verdere leven houden. Aanvankelijk was zijn smaak vooral gevormd door zijn religieuze opvoeding. Als domineeszoon was naastenliefde en liefde voor de natuur (die door God geschapen was), hem met de paplepel ingegoten. Ook op artistiek gebied werden van huis uit vooral de beeldende kunst en literatuur
met een religieuze boodschap gewaardeerd.

Na de breuk met zijn ouders volgde Van Gogh steeds meer zijn eigen voorkeuren. Hij ontwikkelde een idealistische en enigszins romantisch gekleurde voorliefde voor het realisme, het alledaagse leven van boeren en arbeiders. Vooral het werk van de Franse schilder Jean-François Millet diende hierbij als voorbeeld.

De bossen, de heide en de korenvelden verwezen naar de groeikracht van de natuur, naar de cyclus van leven en sterven. Tijdens zijn tweejarig verblijf in Parijs kwam hij in aanraking met het werk van de impressionisten en neoimpressionisten. Hij absorbeerde er gretig alle nieuwe ideeën en stromingen en experimenteerde met kleur en schildertechnieken. Hij verruilde zijn Hollandse palet met grijze en donkere aardetinten voor lichte, ongemengde kleuren. In het zuiden van Frankrijk ontwikkelde hij vervolgens zijn eigen stijl met de herkenbare wervelende penseelstreken in felle kleuren.

Ondanks de ziekte die hem trof bleef hij doorwerken; het schilderen hielp hem juist,het bood afl eiding. In zijn laatste maanden in Auvers produceerde hij zelfs bijna een schilderij per dag. Zijn voorliefde voor de natuur en het boerenleven kwam ook toen weer terug in uitgestrekte landschappen en boerenfiguren. In enkele van die landschappen wilde hij een stemming overbrengen, iets wat hij niet in woorden kon uitdrukken: ‘hoe gezond en versterkend hij het platteland vond’.

Vincent van Gogh, Bokkingen, olieverf op doek, 1886

Over Van Goghs smaak wat betreft eten valt minder te zeggen: hij was meer geïnteresseerd in voedsel voor de ziel dan voor zijn maag. Maar in zijn brieven aan Theo, die hem zijn hele kunstenaarscarrière financieel ondersteunde, klaagde hij regelmatig over het feit dat hij te weinig geld had om goed te eten: ‘mijn eten bestaat voornamelijk uit droog brood & wat aardappelen of kastanjes’.

En vanuit Antwerpen: ‘…ge moet wel begrijpen dat b.v. zoolang ik nu hier ben, ik slechts 3 keer wat warm eten heb gezien en dat de rest altijd maar brood is. Zoo wordtmen meer vegetariër dan nuttig is’.
Het warme avondmaal gebruikte hij doorgaans buitenshuis, zoals dat gewoon was voor alleenstaande mannen. Toen hij zelf zijn eerste psychische aanvallen had gehad in Arles, ried hij Theo aan, die blijkbaar ook ziek was: ‘…profiteer zoveel mogelijk van de voorjaarslucht, ga heel vroeg naar bed, want je hebt slaap nodig, en dan het eten: veel verse groenten en geen slechte wijn of slechte alcohol’. Liever goéde wijn dus, en goéde sterkedrank.

Van Gogh schilderde weleens eetbare dingen, maar niet uit culinaire interesse. Zijn stillevens met bokkingen, mosselen, aardappelen of verschillende fruitsoorten zijn vaak oefeningen in kleur en vorm. Een mossel is bovendien een goedkoop en geduldig model. Van Gogh gaf zijn geld liever uit aan schildersmaterialen en (menselijke) modellen, dan aan eten. Zijn doel was om mensen te raken met zijn werk, ‘een kunst die troost biedt aan bedroefde harten’.

Vincent van Gogh, Landschap met korenschelven en opkomende maan, olieverf op doek, 1889
Vincent van Gogh, De zaaier, olieverf op doek, 1888
Vincent van Gogh, De oude toren van Nuenen, olieverf op doek, 1884